Bestuurders aansprakelijkheidsverzekering

U bevindt zich hier: 

>> Aansprakelijkheid  >> Jurisprudentie 

  |  

Execution only

  |  

Sitemap

  |  

Disclaimer

  |  

Contact

  |

Jurisprudentie bestuurdersaansprakelijkheid

 

Rb. Amsterdam 21 maart 2007, JOR 2007/113. Faillissement. Aangaan verplichtingen terwijl zekerheid omtrent financiering ontbreekt is onbehoorlijk bestuur.
O. (gedaagde) is enig aandeelhouder en bestuurder van X. BV (hierna: X.). X. houdt zich bezig met het aanbieden van diensten op het gebied van Voice over IP. In januari 2005 is X. failliet verklaard. De curator stelt dat onbehoorlijke taakvervulling door O. een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest, omdat O. de onderneming is gestart, heeft voortgezet en jegens derden verplichtingen heeft laten aangaan terwijl hij wist dat X. de verplichtingen niet zou kunnen nakomen. De benodigde financiering was namelijk niet geregeld. De rechtbank stelt de curator in het gelijk en oordeelt dat een redelijk handelend bestuurder onder deze omstandigheden geen langer lopende verplichtingen had mogen aangaan. Door dat wel te doen heeft O. een onaanvaardbaar groot risico genomen dat de onderneming de aangegane verplichtingen niet zou kunnen nakomen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de onderneming voorshands onvoldoende eigen opbrengsten zal genereren om de verplichtingen te voldoen. De nakoming van de verplichtingen is dan geheel afhankelijk van de extern te verkrijgen financiering. Het aangaan van verplichtingen terwijl omtrent de financiering nog geen behoorlijke zekerheid bestaat, moet dan als onbehoorlijk bestuur worden aangemerkt.
Bron: JRV 2007, 358

Rb. Arnhem 17.5.2006 JOR 2006/202

Aansprakelijkheid beleidsbepaler. Het achterwege laten van vereffening na ontbinding van de vennootschap is jegens de schuldeiser onrechtmatig.
Vink is de laatste bestuurder en daarmee tevens vereffenaar van de vennootschap. Vink verzuimt echter na ontbinding van de vennootschap tot vereffening over te gaan en de vordering van eiser (schuldeiser van de vennootschap) te voldoen. Boelee (de enig bestuurder van de aandeelhouder van de vennootschap) was beleidsbepaler binnen de vennootschap en kan uit diens hoofde besluiten de vereffening achterwege te laten. Door ondanks de aanwezigheid van baten en een schuldeiser na ontbinding vereffening achterwege te laten hebben Vink en Boelee jegens eiser onrechtmatig gehandeld.

Hof 's-Hertogenbosch 6.12.2005 JIN 2006/244
Appellant in principaal appel (X) bestrijdt de overweging van de rechtbank dat appellant als bestuurder van 'X. Schildersbedrijf sinds 1885 BV' een persoonlijk en ernstig verwijt treft. Volgens het hof brengt de verplichting tot het (doen) treffen van een aanvullende pensioenvoorziening, indien hierin ten onrechte voor een bepaalde periode niet is voorzien, de verplichting mee om voor de getroffen werknemer een voorziening te treffen die dit gebrek heelt. Ook ter zake het nalaten van zodanige voorziening treft appellant, die ook in 1987 nog directeur was, een ernstig verwijt op dezelfde gronden: de pensioenvoorziening betreft een zeer wezenlijke arbeidsvoorwaarde, het verzuim een gebrek terzake te helen heeft jarenlang geduurd, de vennootschap is van beperkte omvang en appellant heeft als financieel directeur en/of enig bestuurder terzake de volledige zeggenschap, terwijl niets is gesteld of gebreken over - adequate - delegatie van zijn verantwoordelijkheden terzake. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank onder aanvulling van de gronden.

HR 17.6.2005 JAR 2005/188
Aansprakelijkheid moedervennootschap voor schulden dochtervennootschap. Een werkneemster heeft nog een vergoeding tegoed welke haar was toegekend door de kantonrechter. De activiteiten van haar werkgever blijken inmiddels te zijn gestaakt en door haar moedermaatschappij (in haar hoedanigheid van bestuurder) te zijn ondergebracht in een andere dochtervennootschap. De voormalige werkgever biedt dan ook geen verhaal. De werkneemster stelt de moedermaatschappij en haar enig aandeelhouder aansprakelijk. Het hof en de Hoge Raad besluiten dat ten tijde van de toekenning van de vergoeding door de kantonrechter de moedermaatschappij en de aandeelhouder al wisten of behoorden te weten dat de werkgever geen verhaal zou bieden en dat zij er bewust voor hebben gekozen de activiteiten onder te brengen in een andere dochtervennootschap.

Hof 26.4.2005 JOR 2005/171
Aansprakelijkheid van commissaris in faillissement. Vastgesteld wordt dat de commissaris zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld. Er is een jaarrekening te laat en één helemaal niet gedeponeerd. Dit is een verplichting van het bestuur, maar de commissaris kan worden verweten niet genoeg toezicht te hebben gehouden op deze verplichting. Hij ging over de financiële gang van zaken en daarnaast had de bank hem verzocht de financiële boekhouding op orde te brengen. Hem treft het ernstige verwijt dat hij duidelijk tekort is geschoten in het toezicht op het reilen en zeilen van de onderneming.

Rb. Arnhem 9.2.2005 JOR 2005/84
Bestuurdersaansprakelijkheid na faillissement. Ondanks een goedkeurende accountantsverklaring is niet aan de boekhoudplicht voldaan. De administratie en de jaarverslaggeving vertonen belangrijke tekortkomingen. Aldus is sprake van kennelijk onbehoorlijk bestuur in de zin van artikel 2:248 BW. De rechtbank oordeelt dat ondanks dat de accountant de jaarrekeningen van een goedkeurende verklaring heeft voorzien, dit de bestuurder niet disculpeert van zijn boekhoudplicht.

Rechtbank Utrecht 2.4.2003 NJ 2003 nr. 384

Een aantal vennootschappen gaat failliet. De curator stelt het bestuur van deze vennootschappen aansprakelijk vanwege kennelijk onbehoorlijk bestuur in de zin van art. 248 Boek 2 BW.
De rechtbank stelt voorop dat van kennelijk onbehoorlijk bestuur sprake is wanneer onverantwoordelijk gehandeld is met de wetenschap dat schuldeisers van de vennootschap door de handelwijze van het bestuur worden gedupeerd.
De term `kennelijk’ betekent dat het onbehoorlijke karakter buiten kijf moet staan en dat aan een bestuurder in beginsel het voordeel van de twijfel moet worden gegund. Daarbij is voorts nog vereist dat het onbehoorlijke bestuur een opvallende plaats moet innemen onder de gebeurtenissen die tot het faillissement hebben geleid. Niet vereist is dat het onbehoorlijk bestuur de enige oorzaak voor het faillissement is. De rechtbank oordeelt uiteindelijk dat de bestuurders niet aansprakelijk zijn.
(Bron: Stadermann Luiten, Rotterdam)

HR 20.11.1998 NJ 1999 nr 684 met noot Van Schilfgaarde en HR 27.11.1998 NJ 1999 nr 148;
bestuurder die bij aangaan van overeenkomst met derde weet of redelijkerwijs behoort te begrijpen dat vennootschap niet of niet binnen redelijke termijn aan verplichtingen zal kunnen voldoen en evenmin verhaal kan bieden, kan onder omstandigheden tegenover die derde persoonlijk aansprakelijk zijn uit onrechtmatige daad.

HR 8.1.1999 NJ 1999 nr 318 met noot Maeijer;
aangesproken bestuurder was niet betrokken bij transactie. Benadeelde moet nader aangeven welk persoonlijk verwijt die bestuurder valt te maken.

HR 11.6.1999 NJ 1999 nr 586 met noot Maeijer;
Hof kon oordelen dat geen sprake was van ernstige verwijtbaarheid.

HR 5.11.1999 NJ 2000 nr 35;
bestuurder niet aansprakelijk voor niet-nakoming van overeenkomst door vennootschap. Onvoldoende gesteld dat bestuurder wist of redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat vennootschap bij niet-nakoming geen verhaal zou bieden.

HR 10.12.1999 NJ 2000 nr 6;
aansprakelijkheid bestuurder voor verdwenen kasgeld alleen als bestuurder het kasgeld zelf onder zich had en als sprake is van ernstige verwijtbaarheid.

HR 18.2.2000 NJ 2000 nr 295 met noot Maeijer;
wanneer bestuurder wordt verweten dat hij heeft bewerkstelligd of toegelaten dat door hem bestuurde vennootschap een eerder aangegane overeenkomst niet nakomt en daardoor aan wederpartij schade berokkent, kan bestuurder persoonlijk aansprakelijk zijn. Of verwijt dat bestuurder kan worden gemaakt voldoende ernstig is om hem persoonlijk aansprakelijk te houden, hangt van omstandigheden van geval af.

Rechtbank Utrecht 1.3.1995 en Gerechtshof Amsterdam 1.2.1996 NJ 1999 nr 159;
bestuurders van Vereniging zijn persoonlijk aansprakelijk, omdat zij hebben nagelaten ter zake van een vergoeding aan een werknemer in verband met ontbinding van diens arbeidsovereenkomst een voorziening te treffen.

HR 26.10.2001 NJ 2002 nr. 94
navordering resterende belastingschulden (onder andere niet nagekomen betalingsregeling) van bestuurders van concern door Ontvanger. Onderscheid tussen beslissingen omtrent hoogte aanslag, die worden genomen door de Inspecteur, en beslissingen omtrent invordering van op grond van de aanslag verschuldigde bedragen, die door Ontvanger worden genomen. Door brief van Inspecteur waarin werd medegedeeld dat werd afgezien van verdere maatregelen, was niet gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat Ontvanger in gegeven omstandigheden bestuurders niet aansprakelijk zou houden voor resterende belastingschulden.

HR 8.6.2001 NJ 2001 nr.454
van onbehoorlijk bestuur als bedoeld in art. 2:138 BW en art. 2:248 BW kan slechts worden gesproken “als geen redelijk bestuurder - onder dezelfde omstandigheden- aldus gehandeld zou hebben.” Vgl. HR 7.6.1996 NJ 1996 nr. 695

HR 2.11.2001 NJ 2002 nr. 24
bestuurder van vennootschap is hoofdelijk aansprakelijk tegenover Ontvanger voor naheffingsaanslag omzetbelasting waaraan de bestuurde vennootschap zelf niet kon voldoen. Ontvanger is ontvankelijk hoewel hij niet de medebestuurder van de aangesproken heeft gedagvaard.

HR 23.11.2001 NJ 2002 nr. 95
enkele vermelding als bestuurder in het Handelsregister betekent niet dat deze ook door curator als bestuurder mag worden beschouwd. Curator behoort niet tot de door Handelsregisterwet beschermde derden.

HR 18.1.2002 NJ 2002 nr. 96
vennootschap neemt gekochte goederen (trainingspakken) af zonder te betalen. Bestuurder van die vennootschap handelt onrechtmatig jegens vervoerder door trainingspakken niet terug te geven terwijl hij wist dat daarvoor niet was of zou worden betaald en hij wel in positie was die pakken terug te geven.

HR 8.2.2002 NJ 2002 nr. 196 (aansprakelijkheid bestuurder)
enkele feit dat bestuurder door rechter aan vennootschap toegewezen vordering op eigen rekening laat voldoen ten koste van eventuele verhaalsmogelijkheden van wederpartij leidt niet - wanneer in hoger beroep vonnis wordt vernietigd en vennootschap niet kan terugbetalen - tot oordeel dat bestuurder onrechtmatig heeft gehandeld jegens wederpartij.

HR 24.5.2002 NJ 2002 nr. 413 met noot Zwemmer
personeelslid van vennootschap A. die aandelen in vennootschap B. houdt, geeft bij aangiftebiljet omzetbelasting tevens aan fiscus aan dat vennootschap B. betalingsmoeilijkheden kende. Daaruit volgt niet zonder meer aan dat personeelslid vennootschap A. het beleid van vennootschap B. heeft bepaald of mede bepaald als ware hij bestuurder.

Nu personeelslid tevens om nader inlichtingen heeft verzocht omtrent de formeel administratieve verplichtingen jegens fiscus, had fiscus niet mogen volstaan met toezending van het formulier “mededeling inzake betalingsonmacht” onder de mededeling dat personeelslid dat formulier binnen twee weken diende te retourneren, maar had fiscus nadere inlichtingen dienen te geven omtrent inhoud en strekking wettelijke regeling en gevolgen voor het geval niet aan wettelijke verplichtingen zou worden voldaan.

Gerechtshof Leeuwarden 22.11.2000 NJ 2001 nr. 427
vennootschap is in het kort geding veroordeeld tot betaling. Bestuurders laten belangen onderneming prevaleren boven belang schuldeiser waardoor vennootschap niet aan veroordeling gevolg geeft. Bestuurders zijn tegenover schuldeiser persoonlijk aansprakelijk.